Mijn leven als hartpatiënt, deel 3: het ziekenhuis

Over zogenaamde bijna-dood-ervaringen (Engels: near death experiences) is in de loop der jaren al heel wat gezegd en geschreven. Mensen die er eentje meemaken omschrijven de situatie vaak met bewoordingen als “losraken van het lichaam”, “volledige rust en kalmte” en “een donkere tunnel met wit licht aan het eind”. Overal het algemeen zijn de meeste ervaringen opmerkelijk positief en er schijnen zelfs mensen te zijn die het een kick vinden om er eentje mee te maken (zie ook de nogal lugubere film Flatliners als voorbeeld). Complete boeken zijn er volgeschreven over ervaringen die mensen in het voorportaal van het hiernamaals hebben meegemaakt, en over het algemeen zijn mensen er na afloop dan ook heilig van overtuigd dat er daadwerkelijk een leven na de dood is. Wat betreft mijn eigen ervaring heb ik geen boek nodig, maar heb ik aan vier letters voldoende: niks. Misschien komt het omdat ik op het moment van de hartstilstand nog lag te slapen, maar de hele bijna-dood-ervaring valt voor mij samen te vatten in de volgende zin: op donderdagavond ging ik na een dag fietsen moe en voldaan naar bed, en vervolgens werd ik zondagochtend wakker in een ziekenhuisbed: vastgesnoerd, gedrogeerd en bovendien volkomen in verwarring.

“Ge hebt ons en uw familie goed laten schrikken”, was het eerste wat ik hoorde toen ik wakker werd, uit de mond van Luc, een Vlaamse verpleger die op de afdeling werkte. Op dat moment zat ik nog zo onder de kalmerende medicijnen dat ik me nog nauwelijks realiseerde wat me overkwam. Erop terugkijkend was het wakker worden eigenlijk het eind van een twee dagen lange achtbaan. Wat voor mij slechts enkele seconden duurde, moet voor m’n familie en vrienden een ware hel geweest zijn. Het ging allemaal mis op vrijdagochtend. Rond 7 uur – leuk feitje: precies 7 jaar, 7 dagen en 7 uur nadat Ascha en ik verkering kregen – ging ik plotseling overeind in bed zitten. Nu doe ik dat wel vaker, omdat ik nogal eens last heb van behoorlijke heftige nachtmerries. Dat zijn dan van die dromen waarin het dak ineens op je hoofd valt of iemand een mand schorpioenen in je bed leeg kiepert. Gemiddeld heb ik dat soort dromen elke maand wel een keer, dus Ascha is er inmiddels aan gewend. Meestal roept ze dan iets, waarop ik half verward en boos antwoord geef, en vervolgens draait ze zich om en slaapt weer verder. Soms wordt ze niet eens wakker. Als dat die ochtend zo was geweest, had je deze blog nu niet gelezen. Gelukkig werd ze nu wel wakker, en toen ik op haar vragen alleen maar antwoord gaf in de vorm van gekreun en gereutel, had ze meteen door dat er iets mis was. Ze was toen zelfs zo scherp om meteen 112 te bellen, die gelijk een hartstilstand vermoedden en er ook meteen een ziekenauto op af stuurden. Inmiddels begon mijn gezicht al aardig blauw aan te lopen, dus begon Ascha op instructie van de 112-medewerker aan de reanimatie. Een minuut of vijf later kwam een EHBO’er uit de buurt om te helpen en weer een minuut of drie later was de ambulance er.

Na een schok met de AED van de ambulance kwam mijn hart eindelijk weer een beetje op gang, maar stabiel was het nog lang niet, dus werd ik met loeiende sirenes meegenomen naar het Amphia-ziekenhuis in Breda. Daar aangekomen werd ik meteen op de Intensive Care aan allerlei apparaten gelegd om me in leven te houden. Vervolgens werd ik ook gedotterd en op allerlei mogelijk manieren onderzocht, maar het bleek geen bloedprop te zijn of andere vervuiling van het hart. Wat dan wel? Dat was nog niet duidelijk, maar het moet in ieder geval iets heftigs geweest zijn, want het hart van een 27-jarige houdt er niet spontaan mee op. M’n ouders werden eerst naar huis gestuurd, maar bij thuiskomst toch weer gesommeerd om naar het ziekenhuis te komen: mijn hartritme was nog te onregelmatig, en ze wilden het zekere voor het onzekere nemen. Na lang tobben – het moeten wel verschrikkelijk lange uren geweest zijn – kwam alles weer een beetje tot rust en werd besloten om mijn lichaam af te koelen tot een graad of 32 zodat ik kon bijkomen. Dat duurde ongeveer anderhalve dag, totdat ze in de nacht van zaterdag op zondag besloten om mij helemaal wakker te laten worden. Tussendoor was ik ook al een keer wakker geworden en had ik het – hoe kan het ook anders – koud. Iets te koud vonden de heren doktoren, dus werd ik weer netjes in slaap gebracht.

Ja, en daar lig je dan ineens, op zondagochtend op de afdeling hartbewaking. Van de dagen erna herinner ik me maar weinig meer. Veel bezoek, stapels kaarten, en uiteindelijk verhuizen naar een ander gedeelte van het ziekenhuis om verder aan te sterken. Mijn geheugen was een vergiet. Volgens Ascha hebben ze me die dagen wel twintig keer verteld wie het Eurovisiesongfestival gewonnen had (al vraag ik me nog steeds af waarom ik dat de eerste keer überhaupt al wilde weten) en ook probeerden ze me steeds maar weer de bruiloft en de fietstocht te laten herinneren. Meestal tevergeefs, overigens. Het was pas weer toen ik goed en wel thuis was dat mijn geheugen langzaam ging herstellen, en nog vraag ik me af en toe wel eens af of het nog net zo goed is als ervoor. Hoewel het allemaal veel slechter had kunnen aflopen, natuurlijk.

Na een dag of twee kwam er een dokter naar me toe met een mededeling.
“Meneer Colijn, gezien uw situatie hebben wij besloten dat het het beste is om bij u een ICD te implementeren.”
“Een wat?” Ook al waren mijn hersens op dat moment net een suikerspin, ik wist zeker dat ik die afkorting nog nooit eerder had gehoord.

st-jude-defibrillator-recall-heart
“Een Implanteerbare Cardioverter Defibrillator”, legde de arts geduldig uit. Overigens moet ik nog steeds googlen als ik het voluit wil opschrijven. “Dat is een speciaal kastje dat uw hartslag in de gaten houdt.”
Aha. “Goed, maar moet ik dat dan altijd bij mij dragen of zo?”
“Jazeker, maar daar hoeft u niks voor te doen. Door middel van een kleine ingreep plaatsen we dat apparaatje in uw lichaam, ter hoogte van uw sleutelbeen, dicht bij het hart.”
Shit, een operatie. Ook dat nog. “En wat doet dat ding dan precies?”
“Zoals ik al zei houdt het uw hartslag in de gaten. En als het dan weer gebeurt dat u zoiets meemaakt als afgelopen vrijdag, dan zal de ICD therapie gaan toepassen.”
“En dat houdt in…?”
“U krijgt dan een elektrische schok. Net als bij een normale defibrillator. Er gaat vanuit het kastje een draad naar uw hart die de stroomt overbrengt.”
Oh, enorm fijn. Ze gaan een tijdbom in je lichaam plaatsen, Niels. Met detonatiekabels en al. “En kleeft er nog meer ellende aan dat apparaatje?”
“Nee hoor, het is allemaal enorm veilig. U mag alleen twee maanden geen auto rijden.”
Met de vakantie in het vooruitzicht was dit allemaal teveel voor Niels, en al gauw schoot ik dan ook in de tegenstribbelende modus. Geen haar op mijn hoofd die er aan dacht om dat ding in te laten brengen. Dan maar wat meer risico lopen. Verzet bleek echter zinloos, omdat Ascha en mijn ouders erbij zaten en er ook eigenlijk wel wat over te zeggen wilden hebben. Daar valt in een normale situatie al weinig tegenin te brengen, laat staan als weerloze ziekenhuispatiënt. Het kostte ze dan uiteindelijk ook weinig moeite om me alsnog over de streep te trekken, en dus stemde ik mokkend in.

Twee dagen later mocht ik al onder het mes. Dat is wel een voordeel als je een zogenaamde “secundaire” ICD-drager bent – dat zijn de mensen die al een hartstilstand of iets dergelijks hebben meegemaakt, en die krijgen voorrang op de zogenaamde “primaire” patiënten, die een ICD uit voorzorg krijgen omdat ze bijvoorbeeld een genetisch vastgestelde afwijking hebben of een familielid dat aan een hartstilstand is overleden. De operatie stelde weinig voor, al was ik wel strontzenuwachtig van tevoren. Dat was op zich al een hele prestatie gezien het feit dat ik nog steeds zwaarder gedrogeerd was dan Tony Montana na een stevig feestje. Gelukkig kreeg ik een uurtje van tevoren een kalmeringspilletje en dat sloeg goed aan. Zo goed zelfs, dat ik halverwege de ingreep (de operatie was onder plaatselijke verdoving en geen narcose) gewoon uit verveling in slaap viel. Toen ik een uurtje later wakker werd lag ik alweer op mijn eigen kamer. Zes dagen na mijn hartstilstand was ik ICD-drager geworden.

In totaal heb ik elf dagen in het ziekenhuis doorgebracht, waarvan de laatste vier dagen voorbij kropen. Ik was alweer grotendeels hersteld, kon weer voorzichtig rondjes over de afdeling lopen en was eigenlijk al helemaal klaar om naar huis te gaan, tot de artsen besloten om me toch nog een paar dagen langer te houden. Een paar dingen die ik toch nog met jullie wil delen:

  • Een diep applaus voor de medewerkers van het Amphia ziekenhuis, met name die van de IC, die geweldig hun best hebben gedaan om mij er de eerste paar dagen doorheen te slepen.
  • De ICD-ingreep was een fluitje van een cent, ik kan het iedereen aanraden.
  • Ziekenhuisvoedsel is smerig, al had ik het me nog erger voorgesteld. Bovendien was het voor een hongerige wolf als mij veel te weinig, al hoorde ik na afloop van Ascha dat ik gewoon veel te weinig vakjes aankruiste op de menukaart.
  • De blaaskatheter is de meest gruwelijke, man-onterende uitvinding ooit. Toch hulde aan de zuster die hem er zonder te overleggen in één ruk uittrok, dat heeft me een ellendig wachtmomentje bespaard.

Afijn, misschien waren bovenstaande bullets iets teveel van het goede. Feit was dat ik op dinsdag 26 mei eindelijk weer in mijn eigen auto – uiteraard op de bijrijdersstoel – naar huis mocht. Het was tevens mijn laatste ritje in mijn trouwe Ford Fiësta, want drie dagen later mocht ik mijn nieuwe auto in ontvangst nemen. Waar ik dan vervolgens twee maanden heel verlangend naar mocht staren.

Volgende keer: het revalidatietraject. Maar misschien eerst een ander onderwerp tussendoor!

Mijn leven als hartpatiënt, deel 3: het ziekenhuis

3 gedachten over “Mijn leven als hartpatiënt, deel 3: het ziekenhuis

  1. Een Inspirerende, bemoedigende en “hartverwarmende” blog van een moedige jongeman die zijn met zijn “openhartige” manier van schrijven laat zien dat een nuchtere en humoristische kijk op een lastige situatie, jezelf en andere mensen veel positieve energie kan geven.
    Ik kijk uit naar het volgende blog!

  2. Roos schreef:

    Wat kan je het toch mooi beschrijven Niels. Ik schoot helemaal vol toen ik het terug las. Wat heb ik me zorgen gemaakt in de tijd die voor jou te beschrijven valt als ‘niks’ en dan ben ik nog niet eens je moeder, vader, zus of vriendin!
    Ik vind het echt geweldig om te kunnen lezen hoe de ervaring voor jou was: ga daar vooral mee door! Ik ben ook de hele tijd wel nieuwsgierig geweest hoe jou bijna-dood-ervaring was, maar op een of andere manier is dat niet echt iets dat je tussen een paar biertjes door in de Xinix ter sprake brengt, maar ik vind het interessant om er nu over te kunnen lezen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *