Mijn leven als hartpatiënt, deel 4: revalideren kun je leren

old-woman-running-clip-art-111777old-people-cartoons-clip-art-23282

Na het verfrissende uitstapje naar mijn werk van afgelopen maandag is het vandaag weer tijd om de draad op te pakken waar we vorige week geëindigd zijn: bij het vertrek uit het ziekenhuis. Vandaag wil ik het hebben over de minstens zo boeiende periode die erna kwam: de revalidatie.

Zelden zag ik er zo naar uit om weer thuis te komen. Nogmaals, ik heb absoluut geen beroerde tijd gehad in het ziekenhuis en ik ben er prima behandeld, maar er is nou eenmaal niets zo fijn als weer thuiskomen en je eigen prakkie weer te kunnen koken. Eindelijk weer een bordje eten dat niet als massaproduct is klaargemaakt, dagenlang ingevroren is geweest en uiteindelijk in perfect passende plastic bakjes is gestopt, maar gewoon vers voer. Heerlijk. Overigens voelden die eerste dagen thuis aan als een koortsachtige achtbaan: iedereen komt bij je op bezoek en er zijn meteen weer allerlei verplichtingen waaraan je moet voldoen. Hoewel ik nu misschien een beetje ondankbaar klink ben ik wel ongelooflijk blij met de aandacht die ik van iedereen kreeg, en ook van alle kaarten die bij ons thuis en in het ziekenhuis op de deurmat ploften. Toen Ascha ze later ophing aan onze koelkast bleken het er in totaal meer dan 100 te zijn, en dan ook nog van een heleboel mensen die ik maar nauwelijks kende. Allemachtig! Na afloop heb ik veel mensen als ik ze tegen kwam nog persoonlijk proberen te bedanken, maar ja, m’n geheugen was op dat moment nog een zeef en waarschijnlijk ben ik ze voor het grootste deel allemaal vergeten. Daarom, aan iedereen die mij in die dagen een kaartje heeft gestuurd: nogmaals ontzettend bedankt!

Goed, na een paar dagen thuiszitten kwam de grote vraag: wat nu? Werken zat er voorlopig nog niet in: van de dokters moest ik in ieder geval een aantal weken complete rust houden en pas daarna mocht ik weer voorzichtig aan het werk. Zeer voorzichtig wel, te beginnen met 1 uurtje per dag om dit vervolgens elke week met een uurtje extra uit te breiden. Op moment van schrijven werk ik nog steeds niet volledig, al heb ik het nu wel weer voor het grootste gedeelte opgepakt. Echt veel doen zat er op dat moment overigens ook totaal niet in. Hoewel ik vóór het ziekenhuis over een puike conditie beschikte was die na tien dagen in bed te hebben gelegen zo goed als verdampt. Ineens waren de kleine dagelijkse klusjes enorme inspanningen geworden. Een wandelingetje van een kwartier? Alsof je net een marathon had gelopen. Op en neer naar zolder? De beklimming van Mount Everest. Gelukkig wisten de dames en heren uit het ziekenhuis hier wel raad mee, en mocht ik aan een nieuw avontuur beginnen: de revalidatie.

Revalideren.
Het woord alleen al geeft een nare smaak in je mond. Letterlijk genomen betekent het zoiets “opnieuw waardevol worden”, en dat geeft eigenlijk ook meteen de essentie van het hele verhaal aan. Door mijn hartstilstand was ik waardeloos geworden, en ik moest mijn waarde terug zien te verdienen. Hoe? Door héél hard te sporten. Of nou ja, relatief gezien dan.

In een kort intake-gesprek werd mij duidelijk gemaakt wat precies de bedoeling was: een goede basisconditie opbouwen zodat je na de revalidatie weer voldoende kracht zou hebben om allerlei activiteiten te ondernemen. Afgaande op haar inschatting zou het hele traject voor mij “ongeveer vijf á zes weken gaan duren”, zo verzekerde een glimlachende therapeute me. Allereerst moest ik een zogenaamde Shuttle Walk Test doen om te kijken hoe ik er op dat moment voorstond. Laat me dat even uitleggen: u bent vast wel bekend met het fenomeen Shuttle Run Test. Dat is een conditietest waarbij je tussen het geluid van twee bliepjes een gymzaal moet overrennen. De tijdsintervallen tussen de twee bliepjes worden steeds korter, zodat je het rennen uiteindelijk niet meer volhoudt. Het niveau dat je dan gehaald hebt – de “trap” – bepaalt hoe goed je conditie is. Dit ging echter niet om een Shuttle Run Test, maar een Shuttle Walk Test. Let goed op het nuanceverschil tussen deze twee woorden: Run, en Walk. Hou dat goed op het netvlies, want dat is van belang voor de rest van het verhaal.

Jun13_cardio-workout-200-meter-shuffle

Op dat moment had ik er nog geen idee van wat me te wachten stond en dus besloot ik stiekem al wat voorbereidingen te doen om goed beslagen ten ijs te komen. Ik wilde uiteraard niet falen en was vastbesloten om een goede score te halen. In ieder geval wilde ik eindigen bij de beste 50% van de deelnemers. Gehuld in speciaal aangeschafte hardloopkledij verscheen ik met gezonde spanning in de gymzaal. Ik monsterde de rest van het startveld, de concurrentie. In totaal 4 deelnemers. Eerste conclusie: ik was de jongste. Tweede conclusie: ik was de jongste met minimaal 40 jaar verschil. Een vlugge blik leerde me dat de gemiddelde deelnemer meer kunstheupen had dan ik. Maar goed, schijn bedriegt soms, dus ik bereidde me voor op een bittere veldslag.

We stelden ons netjes op in een rij en kregen de instructies te horen. Pas gaan lopen na het bliepje en aan de overkant wachten tot het volgende bliepje, dan weer teruglopen, enzovoorts. Het startbliepje weerklonk, gevolgd door het geknars van verroeste gewrichten die om me heen tot leven kwamen. Ik besloot rustig te beginnen en het tempo af te stemmen op de andere lopers. In een sukkeldrafje bereikte ik de overkant van de gymzaal, en toen begon het wachten. Heel lang wachten. Ik had inmiddels alle dakbalken al geteld toen daar, na wat een eeuwigheid leek, een tweede bliepje kwam. Ik slofte naar de overkant en daar begon het hele wachten opnieuw.

Al gauw bleek dat van een eerlijke strijd geen sprake was. Ter illustratie vergelijk ik de trappen even met dieren om u een beeld te geven van de bijbehorende snelheden. Mijn “concurrenten” konden het tergend traag oplopende tempo van deze trappen maar nauwelijks bijhouden. Tijdens de derde trap (gehandicapte schildpad) viel de eerste af, en na trap vijf en zes (kortademige kameel / aangespoelde zeehond) de andere twee. Op dat moment was het tempo nog altijd lager dan gestrompel langs de etalages van een winkelstraat. Langzaam begon het me te dagen dat ik wellicht ietwat overgekwalificeerd was voor deze test.

Terwijl de andere deelnemers gedoucht hadden en naar huis gebracht waren was ik toegekomen aan trap 12 (kreupel keffertje). Het tempo was wel dusdanig opgelopen dat ik niet meer gewoon kon wandelen en rustig moest rennen, maar het was nog altijd nog niet bijzonder zwaar. Toen kwam er ineens geen bliepje meer.
“Wat nu, is de test vastgelopen?” vroeg ik aan de verpleegster die erbij zat.
“Nee hoor, de test is afgelopen. U heeft de laatste trap gehaald. Gefeliciteerd.”
“En nu?”
“We weten nu uw basisniveau voorafgaand aan de revalidatie, en na afloop van de revalidatiesessies meten we uw conditie opnieuw, om te kijken of u vooruitgegaan bent.”
Uiteraard vroeg ik me af hoe het mogelijk was om vooruitgang te meten als iemand het maximaal haalbare al had gehaald, maar ik ben een trouwe patiënt die geen vragen stelt, dus meldde ik me een week later netjes bij de eerste echte revalidatiesessie.

Voorafgaand was me verteld dat er twee groepen waren: een groep met senioren, en een groep met jongere mensen. Uiteraard zouden ze mij indelen bij die laatste. Eenmaal in de groep werd ik er weer hardhandig op gewezen wat “jong” betekent in de ogen van hartartsen: alles onder de zestig jaar. Er waren nog een paar veertigers in de groep, maar de rest was toch echt een stuk ouder. Het verschil was duidelijk te merken tijdens de sessies, die eigenlijk allemaal min of meer dezelfde opbouw hadden: eerst een kwartiertje hardlopen, dan tien minuten fietsen, gevolgd door wat oefeningen en een stukje yoga. Het idee was om te beginnen op een makkelijk niveau en dat dan langzaam wekelijks op te bouwen tot je niet meer beter kon. Tijdens de eerste sessie hield het “hardlopen” in: driekwart rondje wandelen en vervolgens een kwart rondje rennen. Het fietsen ging tegen een duizelingwekkend vermogen van 30 watt. 30 watt! Ter vergelijking: als je tegen een heuveltje opfietst lever je al gauw het tienvoudige. Zelfs een doorsnee boodschappenfiets met een beetje tegenwind levert al meer dan 100 watt. Na 3 weken eerder nog de flanken van het Limburgs heuvelmassief te hebben bedwongen was dit toch wel een stapje terug.

Hoewel het wel aangenaam was om op die manier de oefeningen te moeten afwerken voelde ik me nou niet bepaald waardevoller worden. Het is me ook wel duidelijk geworden dat de medische begeleiding van jonge hartpatiënten in Nederland nog flink wat te winnen heeft. Waarschijnlijk ook omdat het er niet zoveel zijn. Mijn aanwezigheid in de gymzaal leidde dan ook vaak tot vragen van de oudere deelnemers. Hoe het kwam dat ik al zo jong hartpatiënt was, en dan moest ik maar weer gaan uitleggen dat het me allemaal “overkomen” was en dat ik het ook niet wist. Het viel me ook op dat je de hartrevalidanten in grofweg 2 groepen kunt verdelen:

  • De “ongelukkige” gevallen. Dit zijn mensen die over het algemeen een gezond leven hebben geleid en vervolgens ineens geconfronteerd worden met totaal onverklaarbare hartproblemen. Dit was de kleinste groep en ik schaar mezelf hieronder, maar er waren ook andere patiënten in de groep die (weliswaar een stuk ouder) hetzelfde overkomen waren.
  • De “het er zelf naar gemaakt hebben”-gevallen. Dit was verreweg de grootste groep en hun klachten waren ook een stuk anders dan die van ons. Vrijwel allemaal waren het kettingrokers geweest, of mensen die op een andere manier ongezonde leefgewoonten hadden. Het gevolg: dichtgeslibde aders, hoge cholesterol en daardoor een infarct opgelopen.

De laatste groep was ook de meest irritante omdat die voortdurend klaagden over van alles en nog wat. Daarnaast voelde ik me sowieso al niet thuis in de groep. Tussen de gesprekken over kleinkinderen en het beknibbelen op de AOW door probeerde ik gewoon mijn rondjes te blijven rennen, en na een week of zes dacht ik dat ik er wel vanaf zou zijn. Mis: ik bleek nóg zes weken door te moeten. Tot overmaat van ramp werden de sessies ineens twee keer zo lang en werd er een nieuw onderdeel aan toegevoegd: volleybal. Met mijn niet-bestaande balgevoel en dito motoriek was dat natuurlijk een ramp. Hoewel ik in de conditie-onderdelen uitblonk bleek ik in het volleybal vaak nog slechter te zijn dan de bejaarden die ook meespeelden. Wat een afgang.

Gelukkig was het volleybal maar tijdelijk, want het grootste deel van de tweede serie van zes weken was ik gelukkig op vakantie. Na afloop daarvan mocht ik opnieuw de conditietest doen. Logisch gevolg: opnieuw trap 12. De verpleegster concludeerde dat het met mijn conditie wel goed zat. Dank u, dat wist ik drie maanden geleden ook al, maar goed. Het was het eind van een boeiende periode, waarin ik ondanks het gebrek aan uitdaging en de afwezigheid van lotgenoten van dezelfde leeftijd toch een aantal mooie gesprekken heb mogen voeren. Het was inmiddels eind augustus, ik voelde me weer goed, en de hartstilstand en het ziekenhuis leken iets uit een boze droom van lang geleden. Vol vertrouwen liet ik me in september opnieuw controleren bij de cardioloog. Toen kwam de echte klap.

(wordt vervolgd)

Mijn leven als hartpatiënt, deel 4: revalideren kun je leren

Een gedachte over “Mijn leven als hartpatiënt, deel 4: revalideren kun je leren

  1. Willem schreef:

    Nr 1 t/m 4 tegelijk gelezen. Eén ding is duidelijk: deze hele ellende levert een fantastische schrijver op! Het verhaal maakt erg nieuwsgierig naar waar het op uitdraait. Maar ik vermoed dat de schrijver, vooral ook tot zijn eigen frustatie, daar nog niks over kan zeggen…
    Niels, petje af voor hoe je alles beschrijft! En veel sterkte met je leven hartpatient!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *