Mijn leven als hartpatiënt, deel 8: de andere kant van de geneeskunde

Goed. Je bent hartpatiënt en je weet dat je daar nooit meer van geneest. Althans, dat is wat de arts in het ziekenhuis je vertelt. Dat is overigens helemaal geen zekerheid – eigenlijk zijn de symptomen die ik heb nauwelijks te verklaren, maar zo’n arts wordt door de verzekering verplicht om een diagnose te stellen of anders krijgen ze geen centjes meer voor verdere behandeling. Dat werd dus DCM voor mij. In het ziekenhuis gingen ze verder met medicijnen, maar ik merkte dat ik steeds meer behoefte had aan een second opinion. Via m’n ouders kwam ik op die manier terecht bij een alternatieve genezer, iets wat volledig nieuw voor mij was.

Laat ik het even duidelijk stellen: ik ben een academicus. Iemand die aan de universiteit is opgeleid. Dat zeg ik niet om op te scheppen, maar om uit te leggen op wat voor manier ik denk. Een academicus is iemand die overal bewijsvoering voor moet zien, dat werd er tijdens onze opleiding in ieder geval meerdere malen hardhandig ingestampt. Je kunt op de universiteit serieus je reet niet afvegen zonder dat je daarbij een bron moet vermelden. Als je tegen een wetenschapper zegt dat gras groen is, haalt ie z’n schouders op. Bewijs het maar. Ja, ik kan het zien, maar mijn ogen zijn geen geldige referentie.

Eigenlijk is dat hele academische geneuzel niks voor mij. Bijna vijf jaar heb ik aan de Universiteit van Tilburg mogen doorbrengen en al die tijd heb ik me dood geërgerd aan de houding van de mensen daar. Waarschijnlijk kwam het ook door het feit dat ik de meest “nerderige” opleiding volgde (Informatiemanagement) waarbij je twee soorten professoren had: de ene groep bestond uit mannen die het in het bedrijfsleven gemaakt hadden en zich daardoor het recht toe-eigenden om tegen alles en iedereen een hautaine schijthouding aan te nemen. De andere groep was het Genootschap der Geitenwollen Sokken. Gehuld in truien die ze van hun vaders geërfd hadden en die nog hoogstpersoonlijk door hun eigen oma’s gebreid waren sloten ze zich dagelijks op in studeerruimten om de meest abstracte modellen uit te werken. Deze mannen praatten in formules en je kon alleen per email met ze communiceren. Ik weet niet aan welke groep ik meer hekel had, maar het scheelde niet veel. De dag dat ik eindelijk afstudeerde voelde dan ook aan als 5 mei 1945. Het was op een druilerige vrijdagochtend toen ik ergens in een achterkamertje mijn scriptie mocht verdedigen. De professor die het moest beoordelen kwam één minuut voor tijd binnen, droeg tijdens de hele presentatie een frons op zijn gezicht (volgens mij fronst ie nog als ie met z’n vrouw in bed ligt te rampetampen) en maakte uiteindelijk een vage opmerking na afloop waarna ik zonder verder veel inbreng te hebben werd opgezadeld met een 7 als eindcijfer. Ik was bevrijd. Ik had de universiteit uitgespeeld. Tegelijkertijd zwoer ik dat ik er nooit meer een voet binnen zou zetten, en tot de dag van vandaag is het me dat aardig gelukt.

Alle haat jegens de academische wereld ten spijt, merkte ik dat ik ongemerkt toch veel slechte trekjes had overgenomen. De belangrijkste was dus om te twijfelen aan alles wat niet wetenschappelijk bewezen kan worden. Laat dat nou net het fundament zijn onder de hele pseudowetenschap: moeten accepteren dat er dingen zijn die je niet kunt verklaren. Vol twijfel ging ik dan ook naar de alternatieve arts in kwestie. De praktijk van de man is in Gorinchem, en na een kwartier in de wachtkamer te hebben geluisterd naar Frans Bauer en BZN mocht ik binnenkomen. Het bleek om een man te gaan van rond de 70, en bij hem spoelde ik nogmaals het hele bandje af van wat er allemaal met me gebeurd was in de laatste paar maanden. Hij legde uit dat hij werkte met zogenaamde chakra’s – een soort energiebanen die door je lichaam lopen. Via de rug kon hij die energiebanen voelen en zoals hij het zelf noemde “aan de tandwieltjes draaien”. Dat proces duurde een minuutje of tien, en daarna werd ik weer naar huis gestuurd. Inmiddels ben ik er een keer of zeven geweest.

De grote vraag is natuurlijk: levert dit ook iets op? In het ziekenhuis weten ze er wel raad mee: pure kwakzalverij, zo oordeelde de cardioloog. Frappant was overigens de reactie van de arts die mij behandelde op de intensive care – die was namelijk heel anders. Zij begreep heel goed dat er genoeg mensen zijn die hun toevlucht zoeken in de alternatieve geneeswijze als de reguliere tekort schiet. Zelf zou ze het waarschijnlijk ook doen. Best bijzonder om dat uit de mond van een afgestudeerd medicus te horen. Het geeft wel aan dat de mensheid niet om de zogenaamde pseudowetenschap heen kan. Dat zie je ook steeds meer in de maatschappij: natuurgeneeskunde wordt steeds meer geaccepteerd (ook door echte wetenschappers) en wordt in sommige gevallen zelfs vergoed door de ziektekostenverzekering. Behalve bij mij natuurlijk, want krenterig als ik was had ik voor het allergoedkoopste pakket gekozen (ik word toch nooit ziek, zo was mijn redenatie).

Ik hoor jullie denken: werkt het nou ook echt? Die vraag is voor mij lastig te beantwoorden. In het begin wist ik totaal niet wat ervan moest vinden, en om eerlijk te zijn twijfel ik nog steeds regelmatig of het allemaal wel echt zin heeft. Maar ik heb wel het idee dat het ook iets waar je een beetje in moet geloven om het te laten werken. Ik merk elke keer een duidelijk verschil als ik weer bij hem langsgeweest ben. De eerste dagen gaat het dan meestal ineens een stuk beroerder dan ervoor, wat na een paar dagen weer wegtrekt en waarna ik me beter ga voelen. De praktijk is dat ik me in ieder geval een stuk beter voel dan in de maanden augustus en september. De verandering is dan ook vrij groot: mijn hartritmestoornissen zijn de laatste weken nagenoeg verdwenen en mijn hart is een stuk rustiger geworden. Daardoor merk ik het nu veel beter als ik een keer weer wél een ritmestoornis heb. Eerst waren die namelijk voortdurend aanwezig, waardoor mijn hartslag permanent tussen de 110 en 170 zat – veel te hoog voor iemand die het grootste deel van de dag onbeweeglijk achter een computer zit. Inmiddels ligt mijn hartslag vrijwel continu tussen de 45 en 55 en dat merk je. Ik slaap stabieler, droom meer, en heb in maanden (misschien zelfs jaren) niet zoveel energie gehad als nu. Dat komt deels doordat ik gemiddeld een uur per nacht meer slaap dan vóór de hartstilstand en bovendien een stuk minder sport (hoewel dat eigenlijk juist energie zou moeten opleveren), maar dat verklaart niet alles. Het lijkt er dus op dat het wel degelijk werkt, al moet ik er ook bij vermelden dat ik eind oktober van medicijnen ben veranderd waardoor ik ook grote stappen vooruit gegaan ben.

Iets wat de man me ook aanraadde was: openhartiger worden. Meer praten over je problemen met vrienden en familieleden, en bovenal: alles op papier te zetten. Het liefst met potlood, want die zijn van “levend” materiaal. Dat advies heb ik overigens niet ter harte genomen, want ik schrijf nou eenmaal liever van achter een beeldscherm. Wat mij me ook op het hart drukte is dat dat de pompfunctie van het hart bij de volgende controle verbeterd zou moeten zijn. Dat is een mooie maatstaf, want in het ziekenhuis beweren ze dat deze niet meer beter gaat worden. In januari is er weer een controle van. We wachten in spanning af.

Inmiddels ben ik in mijn verhaal uitgekomen op het punt waarop ik nu sta. Volgende week dus het voorlopig laatste deel in de serie, waarin ik terugblik en het over de toekomst ga hebben.

 

Mijn leven als hartpatiënt, deel 8: de andere kant van de geneeskunde

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *